Kan ’niets’ scheppen?

Kan het materie zichzelf creëren?

Moet het dan eerst niet bestaan voordat het kan ontstaan?

Waarom moet je ontstaan als je al bestaat?

    

GOD BESTAAT

Het scheppen van het heelal kan niet simpelweg aan ’niets’ worden toegeschreven. We kunnen niet zomaar verklaren dat alles door ’niets’ is gemaakt en het heelal heeft geordend! Sommige mensen die weigeren om in God te geloven, grijpen snel naar verklaringen als: ,,alles is door niets ontstaan”.

Maar wanneer ze goed over de schepping nadenken moeten ze wel beseffen dat ’niets’ simpelweg niets is en niet ’iets’ kan maken.

Een dergelijke verklaring is de bewering dat materie zichzelf heeft voortgebracht, mensen die achter deze verklaring staan beseffen niet dat materie eerst moet bestaan om zichzelf te kunnen uitdenken voor het zichzelf kan maken.

Om dit te verduidelijken kunnen we een mens als voorbeeld geven! Als een mens zichzelf zou moeten scheppen, moet hij eerst weten hoe hij eruit gaat zien. Hij moet de anatomie van een mens kennen alvorens hij zichzelf kan maken. Daarna zou hij moeten weten welke huidskleur hij wil hebben, van welke ras en geslacht hij wil zijn. Hij moet weten wat zijn lichaam op de aarde nodig heeft en waarvan hij gaat leven, op welke plek van de aarde hij wil leven en wie zijn ouders zouden moeten zijn!

Pas wanneer hij alle informatie over het leven heeft, zou hij aan zijn eigen schepping kunnen beginnen. Maar hier ontstaat gelijk de vraag; ,,Hoe moet hij zichzelf maken?” Hij heeft geen handen, voeten, ogen, oren, hersens, zintuigen enzovoort. Hij heeft niets; hij is niets! Hoe kan hij zichzelf uitdenken terwijl hij geen gereedschap kan hanteren en geen hersens heeft?

Het is onmogelijk dat de mens of een ander soort materie zichzelf zou kunnen uitdenken terwijl hij niets is.

De stelling van de ongelovigen wordt nog ingewikkelder wanneer zij zeggen dat bijvoorbeeld stenen zichzelf hebben geschapen. Of dat de gigantische planeten door niets tot stand zijn gebracht.

Als we goed over het ontstaan van alles nadenken kunnen we God niet ontkennen:

Hoe kunnen jullie Allah ontkennen, terwijl jullie levenloos (en niets) waren en Hij jullie het leven schonk? Hij zal jullie doen sterven en daarna zal Hij jullie doen herleven en dan zullen jullie tot Hem worden teruggebracht.  

(Koran hfst. 2 vers 28)

 

DE EENHEID VAN GOD 

Evenals hoe onlogisch dat ’niets’ een schepper is, zo onlogisch klinkt het wanneer men beweert dat er meerdere goden zouden zijn.

Om dit te goed begrijpen moeten we de definitie van Goddelijkheid kennen:

God is verheven boven alles in Zijn wezen en al Zijn eigenschappen. Hij is de Almachtige, hij is de Ware Koning, Hij is de Schepper, Hij is ongeëvenaard, Hij heeft geen menselijke karakteristieken. Hij is de heerser van het heelal. Hij is de Sterkste, de Beste. De Alomvattende. Niemand kan Hem iets opleggen, of iets wijsmaken, of ergens toe dwingen, want Hij is God. Hij kan alles, Hij heeft het heelal geschapen en Hij is het Die het instand houd.

Maar wat nu, als er twee of meerdere goden zouden zijn?

Kan er meer dan één schepper zijn met zulke eigenschappen? Zouden er twee Almachtige scheppers kunnen zijn? Of twee koningen.

Als we er goed over nadenken, moeten we beseffen dat het onmogelijk is.

De volgende Koranteksten helpen ons om beter over de eenheid van God te denken:

 

,,Allah heeft zich geen zoon genomen, noch is er enige God naast Hem, anders zou elke God hetgeen Hij schiep voor zich houden, en sommigen van hen zouden (na een strijd) zeker anderen hebben overwonnen..”
(Koran 23:93)

 

Indien er naast Allah andere Goden waren in (de hemel en op aarde) zouden dezen zeker tot chaos vervallen..."
(Koran 21:23) 

 

Als er meerdere goden waren, zou er tussen hen een strijd ontstaan om macht. Zij zouden elkaars krachten uitmeten tegen elkaar om uit te vinden wie de sterkste is. Wie koning boven koning zou worden en wie het meest perfecte is. De ene god zou niet zomaar gaan buigen voor de andere. Er zou een heftige strijd ontstaan om de goddelijk status.

Zij zouden gaan strijden om hun kwaliteiten en willen uitvinden wie de beste schepper zou zijn. Wie de almachtige is en wie de Alwijze zou worden. Zij zouden strijden totdat er maar een zou overblijven. Zolang hun strijd zou voortduren zou steeds de ene schepping plaats moeten maken voor de andere. Als gevolg hiervan zouden wij schepselen constant in gevaar verkeren. Wij zouden ook niet weten wie onze schepper zou zijn, wie van hen wij zouden moeten aanbidden en tot wie wij onze smeekbeden zouden moeten richten. Gelukkig is dit niet de realiteit. De Koran opent onze ogen voor de waarheid:

 

En jullie God is één God, er is geen God dan Hij, de Barmhartige, de Genadevolle.

(Koran hsft. 2 vers 163)  

 

Weet jij niet, dat het koninkrijk van de hemelen en de aarde aan Allah behoort? En buiten Allah is er geen beschermer of helper voor jullie.

(Koran hsft. 2:107) 

 

Als er meer goden zouden zijn, zou hun strijd zeker gevolgen hebben voor de orde van het heelal, het heelal zou keer op keer vernietigd en hersteld worden, het zou constant een andere scheppingsvorm krijgen. Totdat de goden uitgestreden zouden zijn en er maar een overblijft. Intussen zou er werkelijk een chaos in het heelal heersen:

…elke God (zou) hetgeen Hij schiep voor zich houden, en sommigen van hen zouden zeker anderen hebben overwonnen..”
(Koran hsft. 23 vers 93)

 

Indien er naast Allah andere goden waren in (de hemel en op aarde) zouden dezen zeker tot chaos vervallen..."
(Koran hsft.  21 vers 23) 

 

God is Eén, Hij is Allah, er is geen andere God dan Hij. Dit feit wordt nog eens heel mooi verwoord in de Koran-hoofdstuk Al Bakara vers 255:

 

Allah! Er is geen God dan Hij, de Levende, de Zelfbestaande. Sluimer, noch slaap overmand Hem. Al wat in de hemelen en wat op aarde is, behoort Hem. Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn verlof? Hij kent hetgeen voor hen is en wat achter hen is en zij kunnen niets van Zijn kennis omvatten, dan wat Hij wil. Zijn troon strekt zich uit over hemelen en aarde en het waken over beide vermoeit Hem niet; Hij de Verheven, de Grote.

(Koran hsft. 2 vers 255)